De donkere periode

Ziekenhuizen waren er nog niet. Als je ziek werd, zorgde je moeder voor je. En als er niemand was die voor je kon zorgen, dan ging je naar het gasthuis. Helaas was het nog maar de vraag of je daar ooit nog levend uit zou komen. In een gasthuis werkten zaalmeiden en knechten zonder verpleegopleiding en waar vaak iets mee aan de hand was. Sommigen van hen waren criminelen of bijvoorbeeld alcoholisten. En die moesten voor jou zorgen!

Zo verkochten ze de beste stukken vlees en medicijnen tegen de pijn, aan degene die er het meest voor over had. Daarnaast deelde je meestal je bed met nog vier andere zieken. En dat bed zelf zat onder de luizen en vieze plekken. Wassen deden ze in die tijd bijna niet, omdat men dacht dat je van water ziek werd.

Maar hoe ging dat dan, als je bijvoorbeeld een ernstig ontstoken voet had? Een ontsteking die steeds groter werd en dreigde je hele been aan te tasten? Die voet die moest eraf! Hoe ging dat in die tijd? Dat gebeurde gewoon met een zaag. En helaas was het bestaan van bacteriën nog niet ontdekt, dus ontsmetten was er niet bij. De zaag werd bijvoorbeeld afgespoeld in een emmer water waar gewoon insecten in zwommen. En verdoving? Ook die was er niet, een flinke slok sterke drank kon men krijgen.

In deze tijd waren er wel godsdienstige zusters die voor zieken zorgden. Deze religieuze zusters hoorden bij rooms-katholieke (Zusters van Liefde) en protestantste (Diaconessen) organisaties. En er kwamen pleegzusters, die geen godsdienst hadden. Alle drie deze typen zusters hadden weinig opleiding en verzorgden je thuis. Aan het einde van deze periode kwam hierin verandering en kregen mensen behoefte aan verpleegsters met een opleiding.

Terug naar geschiedenis


print pagina
Nieuws
Volg ons op Twitter en win op 20 september twee kaartjes voor het European Nursing Congres in Rotterdam.
lees meer...
Volg ons via Twitter
Volg het Florence Nightingale Instituut, de Zorgtrailer en Zusters on Tour via 
lees meer...